Wat heb je nodig?
- per groep een vel A1 tekenpapier A1
- ronde vouwkartons of knutselpapier in Olympische kleuren
- passer
- scharen en lijm
- kopie sportfiguur
Begin de les met het symbool van de Olympische Spelen: de gekleurde ringen. Welke kleuren hebben ze? Wat is de betekenis van de ringen? Hoe zijn ze door elkaar gevlochten?
Vraag enkele kinderen de houding van een sporter aan te nemen, bv. een schaatser of skiër. Bekijk en bespreek de houding: hoe is de stand van de benen, armen en lichaam? Wijzig de houding en kijk opnieuw goed.
Wat moet je doen?
Wat moet je doen?
- Je werkt in een groep van 5 leerlingen. Pak een groot tekenvel, vouwkartons in de kleuren van de ringen en 5 kopieën van de sportfiguur.
- Overleg hoe groot jullie ringen worden en wie welke kleur heeft. Teken met de passer een ring en knip uit.
- Knip de ring op één plek door.
- Bespreek hoe de ringen moeten liggen: wat is de goede volgorde? Welke komt naar voren en welke erachter? Zorg dat de knip onder een andere ring terechtkomt, zodat je die niet ziet. Plak de ringen nog niet vast!
- Knip de onderdelen van de sportfiguur uit.
- Ieder legt de losse onderdelen rond/achter/voor/door zijn eigen ring in de vorm van een sporter.
- Plak tot slot alle onderdelen vast.
Werkstukken gemaakt door leerlingen van groep 8.
De les is oorspronkelijk op dit blog gepubliceerd in 2010.

.jpg)
